Direct naar inhoud
18 May 2020

Interview met Shury Jamanika: 'Van jeugddetentie knapt een jongere niet op.'

'Ons werk levert mooie dingen op. Zoals jongeren die op een werkplek tot bloei komen’, aldus Shury Jamanika. Zij is Coördinator taakstraffen bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) in de regio Gouda, en Coördinator Voorlichting regio Haaglanden.

Wat houdt jouw werk als coördinator taakstraffen in?

‘Als coördinator begeleid ik jongeren, van 12 tot 23 jaar, die door de officier van justitie of de rechter naar ons zijn verwezen. Het jeugdrecht geldt tot 18 jaar maar het kan zijn dat een jongere die bij ons komt al ouder is, bijvoorbeeld doordat hoger beroep is aangetekend. Of omdat iemand een (licht) verstandelijke beperking heeft. Ik voer gesprekken met de jongeren, en vaak ook met hun ouders, en kijk hoe we invulling kunnen geven aan de taakstraf. Daaronder vallen werkstraffen en leerstraffen, of een combi daarvan. Voor de werkstraffen werf ik plekken bij non profit organisaties. Dan moet je denken aan kringloopwinkels, verzorgingshuizen of een dierenasiel.’

Je hebt werkplekken en jongeren, en dan?

‘Dan ga ik matchen. Dat is maatwerk: Wat past bij de jongere? Maar ook: Wat kan de begeleider op de werkplek bieden? En het moet te combineren zijn met andere activiteiten van de jongere. Zoals school, een bijbaantje of zaterdags sporten in teamverband. Die basisstructuur moet overeind blijven. Het is dus zoeken naar tijdstippen na school of in het weekend.’

En wat houdt de leerstraf in?

‘Dat zijn trainingen voor jongeren, zoals “Tools4U”. Jongeren leren sociale vaardigheden als: Hoe leer ik nee zeggen? Hoe moet ik met geld omgaan? Hoe maak ik de goede keuzes? Voor jongeren met een (licht) verstandelijke beperking hebben we een aangepaste variant: “So-cool”. We proberen ook ouders te betrekken, zodat jongeren de vaardigheden die ze leren ook thuis kunnen oefenen. Omgekeerd leren ouders hoe ze meer of anders betrokken kunnen zijn bij hun kind. Het mooie is dat de meeste ouders meedoen. Soms signaleert de trainer dat we er niet komen met de trainingen, omdat er onderliggende problematiek is. We gaan dan met de gedragsdeskundige kijken welke vervolgstappen we moeten nemen. Bijvoorbeeld een beschermingsonderzoek door de RvdK of een andere vorm van hulpverlening.’

De jongeren met een hesje van HALT, komen dus bij jullie vandaan?

‘Nee, dat is een misverstand dat ik vaker tegenkom. De raadsonderzoekers, mijn collega’s, geven advies aan de rechter of officier van justitie voor het opleggen van taakstraf of hulpverlening. Zogenoemde “first offenders” en jongeren met een licht delict verwijzen zij soms naar HALT. Andere jongeren worden naar ons als uitvoeringsafdeling van diezelfde RvdK verwezen. Daarbij moet je denken aan jongeren die zwaardere delicten hebben gepleegd, al meerdere keren een taakstraf hebben gekregen, of waar de politie zich zorgen om maakt. Voor de uitvoering gebruiken we soms wel dezelfde projecten als Halt. Doordat het traject bij ons anders verloopt, is de impact voor jongeren en ouders echter niet te vergelijken.’

En wat als een jongere voor de vijfde keer bij jullie komt?

‘Het is een uitspraak van de rechter, dus wij moeten uitvoeren. De rechter moet een moeilijke beslissing nemen, want het alternatief is jeugddetentie. En daar knapt geen jongere van op! Met die keuze vraagt de rechter ons om het nog een keer te proberen. Natuurlijk is dat voor ons lastig, maar ook in deze complexe zaken staat het kind centraal. En gelukkig maar, want het levert ook mooie dingen op. Zo zijn er jongeren die op een werkplek helemaal tot bloei komen. En soms als hun taakstraf erop zit, krijgen ze dan een baantje aangeboden. Dat vind ik geweldig.’

Is dat jouw drijfveer?

‘Ja, ik heb werken met mensen altijd leuk gevonden. Het bespreken van hun dilemma’s en het bijdragen aan verandering.’ Lachend: ‘Ik denk niet dat ik iets anders kan.’ Ze vervolgt: ‘Natuurlijk zit er op ons werk een zekere lading omdat we helpen vanuit een justitieel kader. Maar we zien ook dat er jongeren zijn die goed terechtkomen dankzij onze steun. Dat we iets bijdragen en ons werk iets oplevert voor het kind én voor de maatschappij. Daar ben ik trots op.’

Je volgt de leergang Ambassadeurs Jeugd van de Beroepsverenigingen BPSW, NIP en NVO. Waarom?

‘Om meerdere redenen. Ik wil graag meer kennis hebben over effectief lobbyen, en meer inzicht krijgen in hoe de verschillende lagen bij de overheid werken. Hoe ziet besluitvorming, bijvoorbeeld over wachtlijsten in de jeugdzorg, bij ministeries en gemeenten eruit? Hoe kunnen we als jeugdhulpverleners daar invloed op uitoefenen? En ik wil graag meer tools voor strategische communicatie en presentatie. Voor de regio Haaglanden geef ik voorlichting aan onder meer de politieacademie en hogescholen, maar ook aan buitenlandse delegaties. Daarmee maak ik zichtbaar wat we doen. De leergang helpt me daarbij!’

Bron: BPSW.nl