Direct naar inhoud

Leren van levensverhalen cliënten

‘Ik was veel te bang dat ze zich met ons zouden gaan bemoeien of ons kind zouden afpakken.’

Een jonge moeder verzweeg op het consultatiebureau haar postnatale depressie en haar traumatische verleden uit angst dat haar kinderen uithuisgeplaatst zouden worden. Met als gevolg dat haar oudste kind de zorgtaken overnam en daarin zelf totaal vastliep. Het begin van een moeizaam en langdurig hulpverleningstraject. Hoe had dit anders gekund? Over dit soort vragen buigen professionals zich binnen het project Ketenbreed Leren.

De juiste zorg op het juiste moment kan voorkomen dat later zwaardere vormen van jeugdhulp noodzakelijk zijn. Dat betekent soms dat je meer de ouders moet ondersteunen. Daarvan is Marjan de Lange - coördinator voor het project Ketenbreed Leren - overtuigd:

‘Als professionals kunnen we veel leren van gezinnen die te maken krijgen met het einde van de jeugdhulpverleningsketen. Denk aan een justitiële jeugdinrichting of de gesloten jeugdzorg. Onderzoekers van Accare, Curium, Bascule/Spirit, Karakter en Horizon interviewden daarom circa 75 van deze jongeren en hun ouders. We vragen bijvoorbeeld naar welke school ze gingen, wat voor leuke en minder leuke dingen zij hebben meegemaakt. Maar ook welke hulp ze hebben gehad en wat dat opleverde. Daarna schrijven we de levensgeschiedenis van het gezin op een behangrol van zo’n 10 meter lang. Vervolgens vragen we hen om langs de behangrol te gaan staan bij een moment waarvan ze zeggen: als er toen iets anders was gebeurd, dan was het waarschijnlijk niet zo misgelopen. En daarna bespreken we met hen wat beter had gekund. Dan evalueren we dit met jeugdprofessionals. Liefst diegenen die bij een gezin betrokken zijn geweest. De gezinsvoogd, iemand van het wijkteam, een begeleider van school. Samen hopen we boven het niveau van de casussen uit te stijgen en patronen zichtbaar te maken. Om in de toekomst beter te worden in het tijdig passende hulp bieden.’

Terug naar het begin

Alida Hielema werkt bij Accare als behandelinhoudelijk manager en GZ psycholoog. Zij is een van de onderzoekers die de jongeren en hun ouders interviewt. Ze hoort geregeld over problemen die misschien klein hadden kunnen blijven, maar onnodig groter zijn geworden:

‘In de gesprekken schemert bij veel ouders hun angst en verdriet door over de mate waarin hun eigen negatieve ervaringen invloed hebben op de problemen van hun kind. We zien veel casussen waarin kinderen en gezinnen van crisis naar crisis hoppen. Door het optekenen van hun levensgeschiedenis wordt inzichtelijk dat professionals vooral in zijn gegaan op wat er op dát moment gezien wordt aan crisisachtig gedrag. Daar wordt vervolgens snel een plan voor bedacht. Logisch, er is immers een crisis. Maar zoals een van de vaders zo treffend zei: “Als verwarmingsmonteur kijk ik eerst naar wat er werkelijk aan de hand is en dan pas ga ik iets doen. Als behandelaars ook zo zouden werken en met kinderen en ouders komen tot een goede probleemsamenhang, dan zou de hulp toch anders uitpakken.” Dit willen we als sector natuurlijk beter doen. Dus gaan we bewust terug naar het begin, daarvan willen we leren en bedenken wat nu werkelijk anders gedaan had kunnen worden.’

Niet in het beklaagdenbankje

De interviews leggen een lastig dilemma bloot: door de focus op bescherming van het kind, voelen veel ouders onvoldoende vrijheid om ondersteuning te vragen als het hen (even) niet meer lukt. Zij hebben jeugdprofessionals nodig die hen niet in het beklaagdenbankje zetten, maar hen ondersteunen en samen kijken wat nodig is. Of het nu gaat om het inzetten van effectieve opvoedondersteuning of hulp bij het verwerken van eigen trauma’s. Zo vertelt een moeder van een 17-jarige dochter in de residentiële jeugdzorg:

‘Eigenlijk had het consultatiebureau bij het optekenen van ons verhaal aanwezig moeten zijn. Zij hadden al oog moeten hebben voor mijn pre- en postnatale depressie. Toen ze vroegen hoe mijn jeugd was, zei ik dat alles prima was geweest. Over mijn traumatische verleden vertelde ik niets, en ook niet over mijn depressieve gevoelens. Ik was veel te bang dat ze zich met ons zouden gaan bemoeien of ons kind zouden afpakken. Als er toen was doorgevraagd, mijn angst was weggenomen en de juiste hulp was geboden, was dat ook veel beter geweest voor van mijn oudste dochter.’

Ter lering en inspiratie

  1. Over de eigen sector heen

    Accare, Curium, Levvel, Karakter en Horizon doen mee met Ketenbreed Leren. Het onderzoek duurt 3 jaar. Voor dit project is Nederland in 5 verschillende regio’s verdeeld. In elke regio vinden 3 regionale leertafels plaats, zodat opgedane inzichten gedeeld worden. Deze worden vergeleken met verbeterplannen die al lopen in de regio’s. Zo moet duidelijk worden welke impuls bepaalde verbeterplannen nodig hebben.

  2. Leidende principes

    Tijdens de gesprekken is er ook aandacht voor positieve ervaringen. Dit houdt het gesprek luchtig en geeft de gezinnen een positief gevoel. Bovendien vinden de geïnterviewden het prettig dat zij rustig hun hele levensverhaal uit de doeken kunnen doen. Naast de interviews vormt de ACE vragenlijst een belangrijk onderdeel van het onderzoek. Jongeren en ouders vullen deze vragenlijst in. Deze kan informatie opleveren die anders niet besproken of onderbelicht blijft. Het onderzoek wordt geleid door een onderzoeker, niet door hun eigen hulpverlener. Ouders en kinderen delen met deze objectieve onderzoekers gemakkelijker hun ervaringen dan met een professional waar ze vervolgens mee moeten optrekken. Voor professionals geldt dat er op een open manier gewerkt wordt, waarbij het leren van elkaar centraal staat. Hierdoor ontstaat ruimte om elkaar zonder (voor)oordeel tegemoet te treden.

  3. Organisatie een aansturing

    Twee coördinatoren sturen het landelijke project Ketenbreed Leren aan. Zes onderzoekers van Accare, Curium, Bascule/Spirit, Karakter en Horizon voeren gesprekken met in totaal 75 jongeren en hun ouders en brengen hun levensverhaal in kaart. Elk centrum heeft 1 of 2 projectbegeleiders, waarvan een de hoofdonderzoek is. Beide projectbegeleiders worden door de coördinatoren opgeleid in het hanteren van dezelfde onderzoeksmethodiek. De coördinatoren zorgen er ook voor dat de projectbegeleiders 3 tot 4 keer per jaar bij elkaar komen.

  4. Aandachtspunten

    Door de hoge werkdruk binnen de jeugdhulpverlening kan het best ingewikkeld zijn om organisaties hierbij te betrekken en de juiste professionals aan tafel te krijgen. Het onderzoek en de reflectie vragen immers tijd. Daar moet ruimte voor worden vrijgemaakt.

Vragen of meer informatie?

Marjan de Lange
info@marjandelange.nl