Direct naar inhoud

Regionale jeugdzorg in de praktijk: Drenthe

'Het past ook bij de Drentse cultuur om dingen samen te willen doen'

In jeugdregio Drenthe vroeg de Norm voor Opdrachtgeverschap (NvO) om een doorontwikkeling van een samenwerkingsovereenkomst die al in 2018 haar intrede deed. Wethouder Robert Kleine en Accare-bestuurder Wieteke Beernink vertellen over hun Bestuurlijk Transformatie Akkoord. En hoe dit akkoord er - ondanks hun gedeeltelijk verschillende opvattingen - voor zorgt dat ze met elkaar in gesprek blijven.

De Norm voor Opdrachtgeverschap (NvO) werd vorig jaar door de leden van de VNG in het leven geroepen. In de resolutie staat beschreven dat gemeenten een gezamenlijke visie moeten opstellen met de zorgaanbieders uit hun jeugdregio om zo toekomstbestendige, kwalitatieve hulpverlening te kunnen bieden. Een eis die voor de ene regio een grotere uitdaging vormt dan voor de ander.

Toen Robert in 2017 wethouder Jeugd, Onderwijs, Welzijn en Cultuur van Emmen werd, was de decentralisatie al twee jaar een feit. De eerst driekwart jaar hield hij zich bezig met het inwerken in het dossier.

‘Mijn constatering: we zijn als Nederlandse gemeenten te optimistisch geweest. We gingen te snel mee in de discussie dat het makkelijker en goedkoper zou zijn om jeugdhulpverlening lokaal en regionaal te organiseren. We hadden maar mondjesmaat invulling gegeven aan de echte doelen van de Jeugdwet.’

Op Roberts initiatief zaten in 2018 twaalf gemeentes en vijf van de grootste zorgaanbieders om de tafel om met een langetermijnperspectief hun regionale jeugdzorglandschap strategisch vorm en inhoud te geven. Een van die grote zorgaanbieders is Accare, waar Wieteke een van de twee bestuurders is.

‘In ons Bestuurlijke Transformatie Akkoord staan eigenlijk nogmaals de doelen van de transformatie beschreven, maar dan ook echt met de intentie om deze gezamenlijk na te streven. Deze werden behoorlijk hoog-over geformuleerd, waardoor ook niemand ergens tegen kan zijn. Maar het feit dat je het gesloten hebt, betekent dat je kleine stapjes kan gaan zetten’

Concrete successen

Wieteke geeft aan dat het akkoord al concrete successen teweeggebracht heeft.

‘Ik hamer zelf op meer analyseren van data over wat wel en niet werkt in de jeugdhulp en niet alleen op de financiële uitkomsten focussen. Maak de verbinding tussen de data over toegang, inhoud, continuïteit en volledigheid en de financiële data. Tekorten zijn niet zo erg op het moment dat het geld besteed wordt aan hulp die werkt. Nu zien we dat kinderen en gezinnen regelmatig in langdurige en weinig werkzame hulptrajecten belanden. In de bestuurlijke overleggen hebben we het gelukkig vooral over inhoud en zorgorganisatie en niet over geld. Het akkoord heeft er ook toe geleid dat zorgaanbieders op structurele basis onderling met elkaar zijn gaan samenwerken. Het belang daarvan, met name als het gaat om jongeren met complexe problematiek, wordt wel eens te weinig genoemd.’

Een ander voorbeeld is de werkwijze Regie op 3 binnen de gemeente Emmen. ‘Als een kind voor de derde keer met een soortgelijke hulpvraag aanklopt, dan gaan we analyseren wat er aan de hand is. Welke hulp is geboden? Wat heeft geholpen en wat niet? Welke les kunnen we trekken voor toekomstige hulpverlening?’

Ook hierin werken de gemeenten en aanbieders samen, doordat er altijd een wethouder en bestuurder bij het onderzoek betrokken zijn.

Robert: ‘Dat resulteert ook in een gedeeld verantwoordelijkheidsgevoel. Als je denkt: dit loopt niet goed, dan zijn de lijntjes om het te bespreken kort. Het probleem is niet dezelfde dag verholpen, maar je zorgt wel dat er iets in gang wordt gezet. Het is ook aardig om te noemen dat wij aan de bestuurlijke tafel een relatie met de aanbieders opbouwen. Hier spreken we vooral over de inhoud. Maar aan andere tafels zijn we het ook wel eens flink oneens met elkaar geweest als opdrachtgever en opdrachtnemer. We hebben zelfs wel eens voor de rechter gestaan. Maar dat mag wat mij betreft ook wel in zo’n relatie. Ik vind dat we trots mogen zijn op de wijze hoe we het zijn aangevlogen. Hard aan het werk in de eigen regio. Het past ook bij de Drentse cultuur om dingen samen te willen doen.’

Specialistische zorg

Doordat Robert al veel voordelen in de Drentse werkwijze ziet, vraagt hij zich af of de NvO voor hun jeugdzorgregio noodzakelijk was. Wieteke is het hierin niet met hem eens.

‘Want de NvO laat je ook nadenken over hoe je je zorg organiseert. Wat organiseer je op regionaal niveau en wat beleg je bovenregionaal?'

Wieteke vindt de combinatie van verschillende rollen die de gemeente vervult – inkoper én vormgever van het sociale domein, vanuit haar perspectief als aanbieder, een ‘niet heel gelukkige’.

‘Voor de basisjeugdhulp kunnen de gemeenten hun verantwoordelijkheid goed pakken. Maar voor specialistische hulp zou er eigenlijk een landelijke financieringsvorm moeten komen. Het betekent niet dat we nu niet goed samenwerken, maar het zou wel voorkomen dat je discussie op de verkeerde plek voert. Een huisarts koop je ook niet als gemeente in.’

Als voorbeeld noemt ze kinderen met een eetstoornis. ‘De behandeling vraagt om specialistische kennis. Iedere ouder die we vroegen waar ze in deze situatie zouden aankloppen, gaf aan naar een huisarts of psycholoog te gaan. Niemand antwoordde met deze hulpvraag het wijkteam te raadplegen. Dat zegt niets over de kwaliteit van het wijkteam, maar een wijkteam biedt niet overal een oplossing voor. Het is er om meer te normaliseren en de eigen omgeving van gezinnen te versterken. Beide vormen van zorg zijn essentieel.’

Inhoud voorop

Robert zegt nog niet te weten of hij het met Wieteke eens is dat de specialistische zorg landelijk gefinancierd en belegd zou moeten worden.

‘Het risico zit ‘m voor mij in de onnodige verschuiving naar de specialistische jeugdhulp. Als kinderen te snel doorverwezen worden, zijn wij ze als gemeente kwijt.’

Zijn angst is dat de onlangs aangekondigde hervormingsagenda voornamelijk financieel georiënteerd zal zijn. En dat terwijl de inhoud volgens hem voorop hoort te staan.

‘Ik ben ervan overtuigd dat je zorg dan uiteindelijk goedkoper wordt. Je ziet nu dat er in Den Haag vooral gereageerd wordt op incidenten. Er gebeurt iets, er komen gelijk Kamervragen, dan moet de minister zich verantwoorden en komt de hervormingsagenda er ineens dwars overheen. Maar geef ons de tijd om dingen te herstellen. In de praktijk gaat er soms iets mis. Er hoeft niet na ieder voorval gelijk iets te veranderen.’

Wieteke: ‘Ik sluit aan bij hoe gepassioneerd Robert het zegt dat verbetering in de zorg tijd kost. Vroeger kwamen kinderen standaard te overlijden aan kanker. Nu zijn dat er al veel minder omdat we meer wetenschappelijke kennis hebben en deze inzetten voor de genezing. Daar gaan jaren en jaren overheen. Er zit een soort van verdragen met elkaar in.’

Ze zou dan ook aan de hervormingsagenda een van haar eigen stokpaardjes mee willen geven: data-analyse.

‘Daar zijn we nu nog niet ver genoeg mee. We hebben het wel over tekorten, maar weten we nu ook welke zorg echt werkt en welke niet? Start gelijk met het systematisch onderzoek, dan weten we of het over tien jaar gewerkt heeft. Als je kennis gebruikt voor steeds betere zorg, wordt de jeugdhulp op den duur echt goedkoper.’

Bron en tekst: VNG.nl