Direct naar inhoud
Bart Versteeg

Utrechtse pilot Ketenversnelling gaat voorbij de protocollen

Snel doorpakken als het nodig is. Zonder dat protocollen, interne processen en werkafspraken in de weg zitten. Binnen de jeugdbeschermingsketen is dat een breed gevoelde wens. De realiteit? Dossiers die rondgaan langs verschillende ketenpartners en vertraging. Dat kan anders, dat moet anders.

De Utrechtse pilot Ketenversnelling is gericht op verbetering. Professionals worden aangemoedigd voorbij hun functie te kijken naar het zo goed mogelijk inzetten van hun expertise ten dienste van kind en gezin.

Veilig Thuis, Samen-Veilig, buurtteams jeugd&gezin van Lokalis, de William Schrikker Stichting en de Raad voor de Kinderbescherming zijn aangesloten bij de Utrechtse pilot. Eén veiligheidsteam -met medewerkers van de verschillende organisaties- is gestart met de begeleiding van vijftien gezinnen in Utrecht Overvecht. Een wijk met veel kindermishandeling, vechtscheidingen, verslaving en psychiatrische problematiek.

Iedereen dezelfde rol

Komt er een casus binnen bij het Buurtteam? Dan worden de teamleden uitgedaagd om eerst alleen vanuit het perspectief van de cliënt te kijken naar hun éigen expertise. ‘Dus niet per se vanuit hun functie of organisatie, maar door de vraag te stellen: ‘hoe vinden wij dat wij dit gezin het beste kunnen ondersteunen?’, vertelt Marenne van Kempen van Lokalis.

Functiegerichte ondersteuning bleek regelmatig een obstakel in het verlenen van hulp aan gezinnen. Door protocollen en strenge regels. Om dat te doorbreken krijgt binnen de pilot iedereen in het team bij een nieuwe casus dezelfde rol. Dat voorkomt dat stukjes van een casus steeds worden doorgeschoven naar een ander.

Berry Versluis van Veilig Thuis: ‘Stel dat er sprake is van financiële problemen. Dan kunnen we dat meteen gaan aanpakken en hoeven we de zaak niet over te dragen aan een ander team - waar dan meestal ook vaak weer een wachtlijst is.’

Tijdwinst

Niet alleen voor de gezinnen maar ook voor de organisaties is tijdwinst een groot voordeel van deze nieuwe aanpak. Lange vergaderingen voor de overdracht van de dossiers komen te vervallen. Afspraken zijn sneller gemaakt.

Versluis: ‘De tijdwinst komt nu ten goede aan het contact met het gezin. Dat is heel erg waardevol omdat je dan meer commitment bij de gezinnen krijgt voor wat je wilt gaan doen.’

Het gezin krijgt nu bovendien een of maximaal twee aanspreekpunten. Versluis: ‘Cliënten werken alleen met bekende gezichten en hoeven niet telkens hun verhaal te vertellen. Als er iemand uitvalt, dan is er altijd iemand die óók van de hoed en de rand weet.’ De medewerkers blijven ook langer bij een gezin betrokken dan in het vrijwillig kader gebruikelijk is. Procesbegeleider Annemieke Claassen: ‘Omdat je op een of andere manier betrokken blijft, komt het ook minder gauw op een crisis uit.’

Minder papierwinkel

Femke van der Schoor, projectleider Jeugd Zorg & Veiligheid bij de gemeente Utrecht, verwacht dat de pilot leidt tot een vermindering van de papierwinkel.

‘Want bij elke keer dat een gezin werd doorgeschoven, moest er ook een nieuwe rapportage komen. Dus de rapportages stapelden zich op. Zeker als je bedenkt dat het gemiddeld zo’n negen maanden kan duren voordat er een Raadsonderzoek komt.’

Nu zit de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) direct al aan tafel en is op de hoogte van wat er speelt. Het scheelt een hoop overdrachtsdocumentatie.

Raad voor de Kinderbescherming

Toch valt de toetsing door de RvdK wel buiten deze nieuwe ‘rolverdeling’. Want de RvdK heeft andere bevoegdheden. Bij wet geregeld. De instelling kan na vrijwillige hulpverlening een onderzoek starten naar de vraag of jeugdbeschermingsmaatregelen nodig zijn. Als dat het geval is, dan kan de RvdK besluiten deze maatregelen aan de rechter voor te leggen. In het ideale geval is er geen onderzoek nodig, maar hoeft een zaak alleen getoetst te worden. Dat gebeurt in deze pilot door een onafhankelijk persoon, niet iemand uit het team.

Geen maatregel nodig

Dat laat onverlet dat de collega’s – ook die van de RvdK – samen kunnen optrekken, vertelt Versluis:

‘Omdat we met elkaar afgesproken hebben wat nodig is, kan mijn collega – bijvoorbeeld van de Raad voor de Kinderbescherming – ook mijn taak uitvoeren. Als er een jeugdbeschermingsmaatregel nodig is wat uiteindelijk een gedwongen kader zou kunnen worden, dan kunnen wij daar samen meteen op anticiperen. Om te voorkomen dat deze maatregel nodig is.’

Deze strategie lijkt goed uit te pakken, vult Van Kempen aan. ‘We zien dat nu soms geen maatregel nodig gevonden wordt terwijl dat met de oude werkwijze zeker anders was geweest.’

Zo is een collega van de Raad voor de Kinderbescherming anderhalf jaar betrokken bij een gezin met twee kinderen waarvan de moeder een verstandelijke beperking heeft. Ook het Buurtteam is er vrij nauw bij betrokken, net als andere intensieve hulp.

Claassen: ‘De moeder wilde absoluut geen ondertoezichtstelling. De collega stelde dat we het zonder maatregel kunnen doen, als de hulp gewoon aanwezig blijft voor dit gezin. En zelf zou deze collega ook de vinger aan de pols houden. Dat werkt tot nu toe.’

Delen van informatie

Iedereen ziet het voordeel van de nieuwe aanpak. Toch zijn er ook hier hobbels te nemen. Er is geregeld discussie, over of er nog te veel vanuit de lijn gedacht wordt, of Zoom of Teams mag worden gebruikt, over het delen van informatie met het oog op privacy.

Claassen schetst een voorbeeld van een kind dat ’s avonds urenlang thuis aanbelde, waar niemand open deed. De politie werd ingeschakeld en deze forceerde de deur en troffen de moeder thuis – wellicht onder invloed. ‘De melding ging in eerste instantie naar het buurtteam, maar achteraf bleek dat er een hele geschiedenis aan dit ene verhaal vastzat. Als je dat weet, dan start je als buurtteam toch anders in een gezin.’ Versluis: ‘Wanneer de veiligheid in het geding is, dan kunnen we goed verantwoorden waarom we de informatie wel delen.’

Binnen organisaties faciliteren

Om deze werkwijze een plek te kunnen geven in organisaties moet er meer worden gestuurd op ‘netwerksamenwerking’, vindt Van Kempen

‘Als daar uitkomsten uit voort vloeien die we breder willen toepassen, dan heb je een structuur daarboven nodig die dat faciliteert. Ik merk dat we dat allemaal nog beter moeten leren, ook middenkader en directie of bestuurders. Je moet iedereen achter je hebben staan, anders krijg je het niet van de grond.’

Volgende fase

Het project begon in 2018 en loopt officieel tot einde van 2020. Claassen hoopt dat de werkwijze voortgezet kan worden. Zodat de nieuwe aanpak geborgd wordt in de betrokken organisaties. ‘Als we wat meer ervaring hebben in de volgende fase kunnen andere zorgprofessionals aansluiten bij het team. Zodat we een soort olievlekwerking krijgen.’

De medewerkers zijn in ieder geval heel tevreden met de nieuwe aanpak.

Claassen: ‘We vroegen onlangs wie nog terug zou willen naar de oude situatie. Daar werd heel hard van nee geschud. Niemand wil meer terug naar zijn oude baan. Met deze aanpak zijn gezinnen beter af. En daar doen we het voor.’

Benieuwd hoe in Nederland gewerkt wordt aan verbetering van de jeugdbeschermingsketen? Bekijk dan ook het verslag van de pilots in Amsterdam-Amstelland, West-Brabant West, Rotterdam-Rijnmond, Food Valley en Zeeland.